Expositie Stichting Straatmensen
Over de expositie
In het kader van 25 jaar stichting Straatmensen voor Straatmensen hebben vijf enthousiaste schrijvers onder leiding van Elske van Lonkhuijzen het verhaal van zes dak-/thuislozen opgetekend. Samen met foto's van fotograaf Brent Knobbout (Blindrs) vormen stukken uit deze verhalen een expositie die van 9 t/m 18 juni te zien in Bibliotheek Mariënburg. Op deze pagina lees je de complete verhalen.
Deze expositie kwam tot stand met behulp van het Rabobank Coöperatief Stimuleringsfonds en is een samenwerking tussen Stichting Straatmensen voor Straatmensen en Bibliotheek Gelderland Zuid.
Lees hier alle zes de persoonlijke verhalen
Anita (54)
Lou (44)
Angelo (54)
Het verhaal van Anita
Anita (54) heeft een piercing in haar lip, tattoos en littekens op haar armen, maar haar blik is breekbaar. Haar stem, schor van het straatleven en zacht van de Brabantse tongval, is gedreven en gevoelvol. ‘Mijn wens is dat de zorg beter wordt. Dat is mijn missie, om dat naar buiten te brengen.’
‘Sinds augustus slaap ik op straat, samen met mijn vriendje. We hadden we een vaste plek onder de Lindenberg, maar dat hebben ze dichtgegooid.’ Alsof je daklozen daarmee laat verdwijnen, zie je haar denken. ‘Mijn vriend geeft me veiligheid, want het is een Pool. Mensen weten dat als ze aan mij komen, ze een hoop boze Polen achter zich aan krijgen. Hij laat me ook enorm lachen. Dat is belangrijk in het leven.’ Over wat ze mist in het leven op straat, hoeft ze geen moment na te denken. ‘Privacy! Kroelen of ruziemaken zonder dat de hele wereld kan meegenieten.’
‘Geen dag is hetzelfde als je op straat leeft. Vaak word ik wakker voordat de wekker gaat. Dan rook ik een peuk, en als ik geluk heb, heb ik nog een beetje drank van de avond ervoor. Daarna is het inpakken en de sheltersuit ergens verstoppen, want dat is te zwaar om mee te sjouwen. Ik ga meestal naar het toilet bij de parkeergarage en anders is het toch echt in de bosjes. Tandenpoetsen en douchen doe ik bij Dagloon, waar ik vier keer per week werk, zwerfafval prikken. Ik kan daar ook de wasmachine gebruiken. Daarna is het meestal blikjes zoeken. Sinds een half jaar ben ik ook gids voor stadswandelingen van de Vagebond. Voor een maaltijd kan ik bij het Kapelletje of Straatmensen terecht.’
‘Het is een druk leven. Je maakt lange dagen, loopt ontzettend veel kilometers. Anderen gaan bedelen, stelen of hun lichaam verkopen. Ik doe dat niet, maar ik betaal er wel een prijs voor: ik ben kapot aan het einde van de dag. Ik ben ook geen zestien meer! Maar het werken voor Dagloon en de Vagebond geeft me structuur, dat doet me goed. Ik blijf het liefst zoveel mogelijk bezig. Dan denk je minder. En het geeft me een gevoel van eigenwaarde.’
Ze zucht gefrustreerd. ‘Veel mensen vinden ons dom, zwak, lui. Ze zien ons niet eens. Dan zeg ik “goedemorgen” en word ik straal genegeerd. Ik snap ook wel dat ze ons eng vinden, maar we zijn nog steeds mensen. Niet iedereen is eropuit om je te beroven. Sommigen zien er eng uit, en dat zijn de liefste mensen, en sommigen zien er heel netjes uit en dat zijn de grootste backstabbers die er zijn. Je kunt een boek niet beoordelen aan de kaft, echt niet. Tijdens de wandelingen voor de Vagebond merk ik wel dat mensen bijdraaien en het van onze kant kunnen bekijken.’
‘Ik maak gelukkig ook mooie dingen mee. Soms zien ze me peuken rapen en geven ze me een sigaret. Laatst was ik bij het station in de prullenbak aan het graaien. Komt er een jonge vrouw naar me toe, steekt me een tientje toe en vraagt: “Mag ik jou dit geven? Ik hoop dat dit het wat makkelijker voor je maakt.” Nou, dat is gewoon hartstikke lief.’
‘Wat ik ook heel mooi vind, zijn de wandelingen voor de Vagebond. Als ik zie dat mijn boodschap overkomt, dan ben ik heel blij. Als ik één jongere kan behoeden om in deze situatie terecht te komen, dan is dat voor mij al meer dan genoeg.’
‘Zelf ben ik op mijn zestiende op straat beland, in Rotterdam. Daar ben ik ook verslaafd geraakt. Toen ik zes jaar later zwanger werd, gaf me dat iets om voor te vechten. Ik kickte af, vond een huisje en ben vier jaar clean geweest. Uiteindelijk heb ik drie kinderen gekregen, maar helaas wel met de nodige terugvallen. Ik heb ze helemaal alleen opgevoed. Vijfentwintig jaar lang heb ik me kapot gevochten voor hen. Ik heb de nodige problemen gehad, maar ze hadden altijd een dak boven hun hoofd. Nu zijn ze volwassen. Ze hebben een huis, een baan, een partner, ze doen het goed.’
‘Toen ze het huis uit gingen, ben ik naar de andere kant van het land verhuisd om af te kicken en clean te blijven. Ik vond een mooi huis in Alverna en ging heel hard werken. Mijn baas in de vleesfabriek was hartstikke blij met me. Hij gaf me bevestiging, iets wat ik nog nooit had gehad. Maar ik kreeg last van slapeloosheid en belandde in een burn-out. Ik zocht hulp, maar werd niet serieus genomen. Ik werd niet gehoord. Hulpverleners denken dat ze het weten omdat ze boeken hebben gelezen, maar ze hebben geen flauw benul van waar ze mee bezig zijn.’
‘Ik kwam op een punt dat ik niet meer wilde. Ik heb veel shit meegemaakt, maar er bleef altijd een vuurtje in me branden. Op dat moment was alles zwart. Ik wou alleen maar eruit. Ik heb een paar fikse pogingen gedaan: mijn polsen doorgejast, een keer meer dan zevenhonderd pillen geslikt. Maar ik werd godverdomme gewoon weer wakker. Toen heb ik mijn spullen gepakt, heb ik alles achtergelaten en ben ik in hotels en B&B’s gaan slapen. Dat heb ik een half jaar lang gedaan, en langzaam veranderde er iets. Ik kwam in onverwachte situaties, kwam onverwachte mensen tegen, en de suïcidaliteit verdween naar de achtergrond. Het vuurtje begon weer te branden.’
‘Maar ik had mijn huis opgegeven en het geld raakte op. Zo kwam ik bij IrisZorg terecht, en uitgerekend daar kreeg ik een terugval. In de verslavingszorg, waar ze je zouden moeten helpen. Daarom ben ik buiten gaan liggen.’
‘Mijn wens is dat mensen de zorg krijgen die ze nodig hebben. En niet alleen in deze sector, ook de jeugdzorg, de ouderenzorg, de gehandicaptenzorg.’ Over wat ze met haar eigen leven wil, moet ze even nadenken. ‘Voor mezelf wens ik dat ik een keer kan gaan leven in plaats van overleven. Met een eigen plekje waar ik me kan terugtrekken, mijn eigen eten kan koken, mijn eigen badkamer heb. Waar ik niet steeds geconfronteerd wordt met mensen die verslaafd zijn. Ik blijf dan wel gewoon bij Dagloon werken, want ik heb het daar naar mijn zin. En de Vagebond blijf ik zeker doen. Dat is echt mijn missie.’
Henske Marsman
Het verhaal van Lou
‘Op 6 januari 2025 ben ik naar Nijmegen gekomen. Waarom ik die datum zo precies weet?
Dat is de dag dat ik mijn appartement uit ben gezet.’ Lou (44) slikt duidelijk iets weg als hij dit zegt. Hij zit aan een tafel achterin de bibliotheek. Naast zijn stoel staat aan de ene kant zijn kleurrijke rugzak die er nog als nieuw uitziet. Aan de andere kant staat een verbleekte Albert Heijn-tas. Met een bekertje koffie in de hand laat hij weten dat hij ‘geen positief verhaal’ heeft.
‘Waarom ik naar Nijmegen ben gekomen weet ik eigenlijk niet zo goed. Vanuit mijn dorp was ik eerder in Nijmegen dan in Den Bosch, denk ik. Ik kende hier verder niemand. Ik heb vroeger ook een tijd in Tilburg gewoond en was daar vier jaar geleden weer eventjes. Als je kijkt hoe het daar veranderd is, zooo! Toen was het een gewoon één straat, heel saai. Nu is het net alsof je op een bazaar komt met allemaal winkeltjes, net als in Marrakesh, heel gevarieerd.’ Lou lijkt het weer voor zich te zien en glimlacht. Hij mist een paar tanden.
‘Ik houd ervan om nieuwe plekken te ontdekken en rond te “blieken”. Dat is wat ik de hele dag doe. Ik vind Nijmegen een mooie stad, de oudste stad van Nederland. Vandaag zag ik vijf cruiseschepen aan de Waalkade liggen, machtig mooi om te zien! Ik snap alleen niet zo goed waarom ze de stad zo inrichten. Nu zijn ze in het centrum weer nieuwe appartementen aan het bouwen, maar ik denk: goed is goed. Ik vind ook dat de hulp voor daklozen hier veel te versnipperd is. Het zou beter zijn als alle organisaties onder één dak zouden zitten. En ik weet ook al waar: aan het Joris Ivensplein.’
‘Vandaag ben ik naar een huis gaan kijken aan de Oude Haven. Daar kun je met andere jongens wonen en is net een kamer vrijgekomen. Ik zou daar wel op de zolderkamer willen wonen.' Hij haalt een papier uit zijn rugzak en neemt de lijst met adressen door die erop staan. Op sommige plekken ben ik nog niet geweest; plekken waar teveel mensen onder invloed zijn, vind ik niks. Ik gebruik geen alcohol, geen drugs, ik rook niet. Ik vind het zonde van mijn geld en snap het ook niet. Als ik ooit aan drugs begin, dan is het meteen een overdosis. Ik geef liever mijn geld uit aan iets nuttigs. Gisteren kocht ik nog zo’n ding waar je appels mee in stukjes snijdt. Dan kan ik toch een keer een appel eten.’
‘Ik heb 22 jaar als slager gewerkt. Daar ben ik zomaar ingerold door het een keer te proberen. Het was machtig mooi werk. Ik droeg zo honderd, tweehonderd kilo vlees op mijn arm. Fysiek lukt dat nu niet meer. Mijn broer is interieurbouwer en iets wat zijn ogen zien, kunnen zijn handen maken. Dat heb ik zelf niet, maar ik kan wel dingen opknappen. Ik zou graag als servicemonteur werken bij een woningbouwvereniging. Wat ik wens voor de toekomst? Gewoon een normaal leven. Huisje, boompje, beestje. Daarvoor ga ik dan liever terug naar Brabant. Ik snap die hatelijkheid hier niet; dat ze elkaar zo zitten af te zeiken. In Brabant is meer gemoedelijkheid, gezelligheid en gastronomie.’
‘Wat typisch Lou is, vind ik moeilijk om over mezelf te zeggen. Aan een ander kun je het niet vragen, want ik heb niemand meer.’ Hij zwijgt even. ‘Ik zou zeggen dat ik verdraagzaam ben. Respect vind ik ook belangrijk, maar respect moet je verdienen. Ik word zelf niet zo netjes behandeld.’ Lou slikt twee keer, neemt nog een slok van zijn koffie en schraapt zijn keel. Bijna onverstaanbaar zacht zegt hij: ‘Toen ik hier kwam … hadden ze vernielingen aangebracht aan het graf van mijn ouders.
Op de dag dat de MH17 neerstortte, is mijn vader overleden. Op zijn sterfbed is er iets gebeurd dat ik nog elke dag met me meedraag. Ze zijn niet goed voor mij geweest. Mijn broer zie ik niet meer. De laatste keer was bij de rechtbank.’
‘Mensen vertrouw ik absoluut niet: vertrouwen is goed, maar controleren is beter.’ Of hij vaker naar het uitdeelpunt voor maaltijden van Stichting Straatmensen komt, weet hij nog niet. Met een glimlach: ‘Ik beslis pas als ik het eten heb uitgeprobeerd. Als ik het iets vind, kom ik terug.’ En hij verdwijnt in de nacht, op weg naar zijn tent in het bos.
Judith Hermans
Het verhaal van Angelo
Op de afgesproken tijd komt Angelo (54) aan bij de bibliotheek. ‘Ik ben een ondernemer, want ik reken voorrijkosten voor dit gesprek. Geef maar iets uit je hart.’ Schaterend: ‘Er moet voor mij ook iets in zitten.’ Bepakt en bezakt gaat hij mee naar binnen en laat zijn fiets onbeheerd staan. ‘Die mag een ander ook gebruiken.’
‘Ik zit vol verhalen’ begint Angelo en neemt een slok koffie. ‘Ik ben geboren op Curaçao, vlakbij de zee. Eind jaren zeventig ben ik met mijn moeder en de rest van het gezin naar Nederland vertrokken. Mijn ouders zijn gescheiden en mijn moeder wilde ons in Nederland een beter leven bieden. We werden opgevangen in Apeldoorn en zijn later verhuisd naar Gendt. Op de streekschool kon ik werken combineren met een opleiding in metaal. Later heb ik nog een lasdiploma en steigerbouw A gehaald.’ Hij denkt even na, neemt een hap van zijn taartje en vervolgt: ‘Ik was ook heel goed in sport en sterk, heel sterk. Ik heb gevoetbald in de hoofdklasse en zelfs twee keer gescoord tegen Feyenoord. In tennis ben ik ook goed. Ik ben trots op mezelf! Wat denk jij dan?’
‘Ik heb jaren een eigen bedrijf gehad. Steigerbouw, door het hele land met tien tot vijftien werknemers in verschillende ploegjes. Ik had een Mercedes S 500 onder mijn reet, een ton man, en ik verdiende wel tienduizend per maand. Maar na acht jaar had ik er geen zin meer in, ik was het zat, vooral het personeel. Ik was niet depressief, wel goed luisteren hè, maar ik dacht grijs in die tijd. Daarna wilde ik een disco beginnen. Ik had twee huizen en heb er een verkocht om met dat geld de disco op te knappen. Daar heb ik heel veel money ingestopt en alles met mijn eigen handen gedaan. Maar toen kreeg ik geen vergunning. Ik voelde me genaaid en gediscrimineerd. Ik was boos na die afwijzing. Dat is alweer twintig jaar geleden. Ik mis Dushi Korsou. Daar liggen m’n roots. Ik mis de zee, het vrije leven en de liefde.’ Hij vloekt in het Papiaments.
‘Hoe het gaat met de liefde? Ik voel me het fijnst als ik mezelf kan zijn, met vrienden of als ik met een goeie vrouw in bed lig.’ Bulderend: ‘Ik ben een Antilliaanse man, hè. Ik heb drie keer een lange relatie gehad. Met de tweede heb ik zeven jaar samengewoond en twee kinderen gekregen: mijn zoon is nu dertig, mijn dochter zevenentwintig. Nee, nog geen kleinkinderen. Ik ben trots op mijn kinderen. Ik zie ze als zij willen en ik tijd heb. Ik vind het erg dat ik mijn dochter niet heb kunnen opvoeden. Ik heb haar de vaderlijke liefde en veiligheid niet kunnen geven en het voorbeeld van een vaderlijke man.’
‘Mijn familie en vrienden zijn belangrijk voor me, ja natuurlijk. Mijn moeder is mijn queen. Als ik bij haar aankom, al is het middenin de nacht, dan doet ze open en gaat eten voor me klaarmaken. Funchi met vis, heel lekker. Hij denkt even na. ‘Anderen vinden mij een beetje gek, misschien. Leuk, lief en ook wel een mannetje, een boefje. Ik leef uit mijn hart. Dat betekent dat ik in balans ben, dat ik doe wat ík wil. Nederlanders zijn egoïsten, gierig, ikke ikke ikke. Maar zo zijn ze ook gemaakt, de meesten. Het zijn westerlingen, geen Afrikanen die uit liefde leven. Ik voel me een buitenlander, een Antilliaan en ik wil ook geen Nederlander zijn. Soms laat ik over me heen lopen, uit wijsheid.’
Een tweede kop koffie slaat hij aanvankelijk af, maar met een stuk taart erbij zwicht hij alsnog.
‘Het leven op straat is een geweldige ervaring. Ja, ik gebruik wel soms en ik leer het leven leven. Ik geniet van de vrijheid. Nu verdien ik geld met straatvuil opruimen. Ik lap ook ramen, repareer fietsen en doe schoonmaakwerk. Maar het liefste ben ik tuinman. Ik laat tuinen lachen. Ik droom van een Antilliaans café met asielzoekers en bajesklanten als personeel. Die moeten ook een kans krijgen. En als ik miljonair ben, koop ik een huisje in Berg en Dal, of een landgoed. Nijmegen is de mooiste stad van het land, in deze omgeving ben ik opgegroeid. Maar die kouwe kak past niet bij een Antilliaan.’
‘Natuurlijk geloof ik, wat denk jij dan? Jezus is gestorven voor onze zonden en is weer tot leven gekomen. De Bijbel is de waarheid, ons voorbeeld. Ik ga wel naar de kerk, maar niet als ik depressief ben. God is liefde, leer van je fouten. Mijn levensles? Lekker bij jezelf blijven, leef je eigen leven, blijf in balans en luister naar jezelf.’
Angelo loopt naar buiten. Zijn fiets staat er nog. ‘Zie je wel, swa?’ Hij grijnst: ‘Kom hier, dan geef ik je een hug.’
Jan Luiken
Wojtek (32)
Abdul (70)
Jan (56)
Het verhaal van Wojtek
Wojtek (32) groeide op in de Poolse havenstad Gdańsk, maar leeft al elf jaar in Nederland. Zijn naam betekent ‘vrolijke krijger’ en stilzitten kan hij niet. ‘Als je vanaf de Waalbrug naar beneden kijkt en je ziet iemand schaduwboksen, ben ik het.’
‘Ik had een drukke dag vandaag. Voor stichting Dagloon heb ik een dubbele shift gewerkt. Straatafval opruimen. Het is een goede training voor de benen. Bij elkaar opgeteld leef ik al elf jaar in Nederland. Ik ben bijna overal geweest, alleen in Alkmaar en Maastricht nog niet. Ook van Europa heb ik veel gezien. Ik spreek zes talen, waaronder Engels, Russisch en Roemeens. De belangrijkste mensen in mijn leven wonen 100 kilometer hiervandaan, in Duitsland. Het zijn mijn moeder en mijn zus. Mijn moeder is harder dan een generaal in het leger. Als ik vroeger de kamer niet had opgeruimd voordat ze thuiskwam, kreeg ik klappen. Later ben ik gaan begrijpen dat ik dat nodig had. Als ik kinderen had die zich zo gedroegen, zou ik net zo streng zijn. Mijn zusje is twaalf jaar jonger dan ik en een kleine kopie van mij, we hebben hetzelfde Chinese sterrenbeeld: de Haan.’
‘Hoe anderen mij zouden omschrijven?’ Hij lacht. ‘Dat moet je aan hen vragen. Ik hang in een groep vaak de showman uit. Ik hou van ironie en harde grappen. De mensen met wie ik omga kunnen dat wel waarderen. Soms zijn we iemand dagenlang aan het plagen over iets stoms dat hij heeft gezegd of gedaan. Verder probeer ik rechtvaardig te zijn en anderen te helpen. Onze groep telt ongeveer vijftien Polen en we koken en drinken samen. Of je nu geld hebt of niet, je bent toch de hele dag dronken. Soms ben ik de psycholoog van onze groep. Door samen te drinken en feesten, openen mensen zich. Ze vertellen me over hun leven.’
‘Er zit ook een kleine man uit Guinee in onze groep. We noemen hem Mr. Potato, want hij kookt altijd met aardappelen. Van de Poolse keuken hou ik het meest van schabowy en bigos. En van pierogi! Dat zijn een soort knoedels die horen bij een traditioneel Pools kerstdiner.’ Wojtek sluit zijn ogen en humt genietend. ‘Ik kan prima koken, want ik ben dol op eten. Ik ben zoveel in beweging dat ik 10.000 calorieën per dag verbrand. Ik train, werk, loop en fiets veel en denk dat ik een beetje ADHD heb.’
‘Het is een lang verhaal waarom ik op straat ben beland. Het had te maken met drugs. De eerste keer dat ik in Nijmegen was, stopte ik met drugs, maar begon ik met alcohol. Ik verruilde shit voor shit. De tweede keer stopte ik eventjes met drinken, maar deed ik het daarna toch weer een paar dagen. Ik drink niet constant, ik ben geen alcoholist, maar ik gun mezelf soms een week vakantie. Nu ben ik hier voor de derde keer. Ik heb elf dagen gedronken, dus langer dan gepland, maar inmiddels alweer twee weken niet.’ Glimlachend. ‘Nijmegen is mijn kuuroord. Hier voel ik de vibe. Veertien jaar in de shit is echt te lang. Ik heb niet al die tijd op straat geleefd. Tussendoor heb ik veel gewerkt, vooral in magazijnen en logistiek als heftruckchauffeur en orderpicker. Je moet me niet in een productielijn zetten, want ik kan niet langer dan dertig seconden stilstaan. Ik wil mijn hersenen gebruiken en kunnen bewegen.’
‘Morgen heb ik een sollicitatiegesprek. Het is wonderlijk, ik heb dit al vijftien of twintig keer meegemaakt: een baan nemen, het geld innen, naar huis reizen, drinken, beseffen dat er iets moet gebeuren, reizen, een baan nemen, enzovoorts. Nu ben ik weer op het punt dat ik wil werken en naar huis wil reizen. Maar eerst wil ik een kamer huren en even alleen zijn en ontspannen. Ik hou van mijn groep, maar iedereen heeft ook tijd en ruimte voor zichzelf nodig. Ik merk dat dit het ritme van mijn leven is. Er zijn veel momenten geweest waarop mijn leven een belangrijke wending nam, zoals een rivier zijn eigen loop vol bochten heeft. Natuurlijk maak ik keuzes die grote invloed op mijn leven hebben. Maar als ik rustig zit te roken en ze overdenk, voel ik dat mijn leven binnen een hogere orde bepaald is. Ik ben een optimist. Ik leef, mijn familie leeft. Ik heb net een glas water gekregen en daar ben ik blij mee. Zo zijn er elke dag dingen die me gelukkig maken.’
‘Wanneer ik in Nijmegen geen onderdak heb, slaap ik op de Waalstrandjes. Ik heb een legerslaapzak die fucking warm is. Toen ik hier in februari aankwam, waaide het keihard. Daarna heeft het twee dagen geregend. Toen kwam er sneeuw. Ik werd ’s ochtends wakker en er lag tien centimeter op de takken. Daarna kwam er hoog water. Waar ik toen heb geslapen, vertel ik liever niet. Bij goede mensen die me toelaten als ik de plek daarna netjes weer opruim.’
‘Over mijn slaapplekken zou ik je honderden bizarre verhalen kunnen vertellen. Als er technologie bestond waarmee je herinneringen van mensen als een film kon afspelen, zou mijn film de langste ooit zijn. Twee jaar geleden lag ik op een stormachtige avond onder mijn vaste boom op het strandje. De galloways gingen precies zo om me heen liggen dat ik uit de wind lag. En vorig jaar waren het juist de paarden die ’s nachts om me heen waren komen liggen. Het was begin november en best koud. Ze lagen dichtbij en deelden hun warmte. Toen ik ’s ochtends mijn ogen opende, schrok ik wel even.’ Schaterend. ‘Zes paarden om me heen. Hoe ontsnap je dan? Maar ik was niet bang, want ik hou van dieren. Ze voelen feilloos aan of iemand deugt.’
Elske van Lonkhuijzen
Het verhaal van Abdul
Abdul (70) kiest zijn woorden zorgvuldig. Alsof hij er even op moet kauwen. Oorspronkelijk komt hij uit Sudan, maar hij woont inmiddels al dertig jaar in Nederland en spreekt de taal goed en met aandacht. Er zit een vertraging in zijn zinnen die maakt dat je met een zelfde aandacht naar hem luistert. Hij is een verteller die zijn woorden kleur en warmte geeft. Abdul is het type man van wie je graag geschiedenis had gekregen op de middelbare school.
Abdul heeft wat moeite met lopen, maar lijkt zich daar niet van bewust. Zijn lichaam beweegt ritmisch, nauwgezet en rustig en lijkt helemaal samen te vallen met zijn geest. De bescheidenheid die hij uitstraalt, legt hij ook in zijn woorden. ‘Pijn heb ik niet en tijd heb ik genoeg, dus het is niet erg om langzaam te lopen.’ Aan het begin van het gesprek is hij wat terughoudend. Waarom zou er een portret van hem gemaakt worden? ‘Ik ben een oude man. Ik ben net 70 jaar geworden. Mijn verjaardag heb ik niet gevierd. Dat is iets voor jonge mensen’. Op de foto wil hij ook liever niet. ‘Dan denken anderen misschien iets over mij. Of ze schamen zich voor mij. Dat wil ik niet. Ik vind het fijn als ik rustig mijn verhaal mag vertellen. Ik wil geen problemen, ik wil rustig leven.’ Het gaat over normen en waarden, legt hij uit. Die zijn belangrijk. ‘In mijn cultuur moet je voor elkaar zorgen. Het gaat niet om jou. En je moet je goed gedragen. Schaamte is ook belangrijk. Je moet ervoor zorgen dat je anderen geen schaamte bezorgt. Dat je familie trots op je is.’
Dat er in Nederland voor hem gezorgd wordt, vindt Abdul niet vanzelfsprekend. ‘Hier gaat alles via de verzekering. Onderwijs, eten, drinken; dagelijks leven is een verantwoordelijkheid van de overheid. Hier mag niemand doodgaan aan een gebrek aan eten of drinken. In Sudan sterven mensen aan honger. Hier is er ook voor mensen op straat een plek waar je eten kunt krijgen.’ Abdul valt even stil en denkt na over zijn eigen woorden. Hij hervat: ‘Mag ik hier eigenlijk wel eten? Heb ik daar wel recht op? De stad zorgt hier voor de mensen. Bij ons in Afrika of de Arabische wereld is er geen systeem. Geen sofinummer, geen recht op wonen of zorgverzekering. In mijn land moet je voor jezelf en je familie zorgen.’
‘Voor mensen uit Sudan is Europa het paradijs. Mensen verdrinken soms onderweg, als ze met bootjes hierheen komen over zee. Het leven zoals het hier is, is ontstaan na de oorlogen. Door de opbouw met het Marshallplan. Door die geschiedenis zorgt de overheid hier voor de mensen. Jonge mensen weten dat misschien niet meer. In Sudan en veel andere landen waar het leven moeilijk is, weten mensen dat het in Europa goed is. In Sudan ben ik afgestudeerd in politiek. De politieke situatie in Sudan maakte dat ik hier kwam. Ik ben blij dat het veilig is hier, dat er geen oorlog of honger is. Nog niet. Het leven is hier duur, dus ik kan niet goed voor mijn familie in Sudan zorgen, maar ik spreek wel met mijn familie via de telefoon. Ik heb vroeger gewerkt. Bij de post, op de postsortering in Arnhem. Ik heb ook in Arnhem en in Boxmeer gewoond. Nu ben ik alweer lang in Nijmegen.’
‘Ik ben blij met Nederland. In Europa denk ik dat dit een van de beste landen is. En in Nederland vind ik Nijmegen een mooie stad. Nijmegen past bij mij. Het is een goede plek. Mensen zijn vaak lief. Mensen groeten me en ik groet hen. Dat vind ik fijn. Het is hier rustig. Ik heb ook gehoord dat Nijmegen de oudste stad van Nederland is. Dat vind ik bijzonder.’
‘De maatschappij is gericht op jonge mensen. Voor hen is veel te doen. Oude mensen in Nederland moeten soms naar een verpleeghuis. In Sudan is zulke zorg er niet. Daar is het ook niet makkelijk; alle dingen zijn minder goed geregeld en de kwaliteit is lager. In het dorp waar ik vandaan kom, is het leven wel rustig voor oude mensen. Ze hoeven geen administratie te doen zoals hier. Alles wat ik moet regelen geeft me onrust. Brieven gaan vaak over problemen en dat vind ik moeilijk.’ Een kleine hapering in zijn diepe stem. Een stem die meer nog dan Abduls uiterlijk verraad dat hij er al een heel leven op heeft zitten.
‘Mijn droom is dat ik na mijn dood terug kan naar Sudan. Dat ik daar begraven word. Ook dat hoort bij mijn Islamitische normen en waarden. Terugkeren naar waar het begon.’
Nadja Joosen
Het verhaal van Jan
Jan (56) is de zoon van een Roma-vader en een Limburgse moeder, dat laatste hoor je aan zijn tongval. Sinds een paar jaar leeft hij op straat en vind je hem regelmatig rond filmhuis LUX. Jan is een geboren verteller en heeft aan een halve vraag genoeg om zijn verhaal te doen.
Terwijl Jan naar de bruinrode bakstenen van LUX wijst, vertelt hij gedreven: 'Hier wil ik graag een toneelstuk maken. Mensen kijken ons daklozen vaak met de nek aan. Met die mensen wil ik graag op het podium in gesprek. Waarom behandelen ze ons zo slecht? Angst? Confrontatie met zichzelf? Dat wil ik uitzoeken.'
Jan vertelt ook over de mensen waar hij van houdt. Zijn ogen worden zacht als hij zijn ex-vrouw beschrijft. 'Ze is heel speciaal voor mij. Ze heeft me drie prachtige kinderen gegeven. Ze kookte heerlijk, zorgde voor de kinderen, had alles voor me over. Ondanks mijn fouten stond zij achter mij. Maar na haar hersenbloeding veranderde onze relatie; we groeiden uit elkaar. Het mantelzorgen, daar had ik moeite mee. Ik was op en kon haar niet meer de hulp geven die ze verdient. Ik voel me daar zo schuldig over, want ik hield en hou nog steeds van haar. Dat doet pijn... Die pijn druk ik weg door te drinken. Niet altijd, maar in ieder geval in het weekend.'
'Tegenwoordig denk ik heel anders dan vroeger. Toen was het zwaar, maar nu is het anders zwaar. Toen was ik bezig met de hypotheek, de kinderen en mijn werk. Ik had mijn ritme. Ik had meer kopzorgen, maar ik sliep ’s nachts wel. Nu ben ik de hele dag bezig met overleven. Er is geen rust meer en er is geen geld.'
'Waar ik van droom? Van een klein huisje met een grote tuin. Veel rust, dieren, kippetjes, eitjes rapen. Af en toe bezoek, maar niet te vaak. Lekker het gras tussen de tegels uit plukken. Er zijn nog veel stappen nodig, om dat te bereiken. Mensen denken: als ze een dak boven hun hoofd hebben, dan gaat het wel weer. Maar dan gaat het juist mis, want we missen meer dan een dak. We missen een plek in de samenleving. Ik moet weer leren dat ik erbij hoor. Maar ik denk dat het moeilijk is om dat te regelen.'
'Je belandt zo op straat, maar terugkomen in de maatschappij is bijna onmogelijk. Aan een kamer alleen heb ik niets, ik moet overal in begeleid worden. Ik wil wel, maar ik kán het niet meer. Voor mezelf zorgen is moeilijk. Als ik een winkel in loop, koop ik bier in plaats van boodschappen. Ik kan wel voor mezelf zorgen, maar het interesseert me niet meer. Die interesse en structuur moet ik weer leren en dat heeft tijd nodig. Soms denk ik: het hoeft niet meer. Laat mij maar gewoon. Bam. Stop. Slapen. Op dit moment heb ik met het maken van het toneelstuk in de LUX weer iets om voor te gaan, maar daarna… Nog twintig jaar dit leven hoeft van mij niet.'
Een bekende loopt voorbij. Jan zwaait. Hij kent veel mensen. 'Weet je wat ik graag zou willen? Een echte knuffel. Iemand die dichtbij komt en mij genegenheid en warmte geeft. Iemand die écht luistert. Aan de andere kant wil ik vrienden niet met mijn shit opzadelen. Ik wil ze dat niet aandoen. Begeleiders en vrijwilligers zie ik wel, maar die houden professionele afstand. Die geven geen echte, warme knuffel.'
'Soms zijn mensen ronduit gemeen', vertelt hij. 'Laatst kwam een vrouw langs: hoedje op de kop, lipstick op. Ik zag het hengsel van haar handtas nog uit haar fietstas hangen, terwijl ze haar fiets al geparkeerd had. Ik vroeg of ze een euro kon missen. Toen snauwde ze: ‘Ik heb niets met mensen zoals jullie, je verwaarloost jezelf met je tatoeages.’ Ik antwoordde dat deze man met tatoeages haar erop wilde wijzen dat haar handtas nog in haar fietstas zat. Waarom doet ze zo? Om haar gevoel af te reageren? Ik doe dat door te drinken, zij doet dat door mij pijn te doen.'
Ondanks alles is hij trots dat hij is geworden wie hij is. 'Laatst zei iemand tegen mij: “Je bent een mooi mens.” Dan denk ik: fuck jôh, het zal je maar gezegd worden.'
Jan heeft een missie: 'Ik wil de bubbel tussen de buitenwereld en de daklozen doorbreken. Vergeet ons niet, wij horen erbij. Ik ben je buurman, maar dan in de struiken. Ik zie je iedere dag en zeg ‘goedemorgen’ tegen je. Het is niet het huis dat mij maakt. Hoe mensen naar ons kijken, maakt ons zoals wij worden. En het kan iedereen overkomen. Als je pech hebt, sta je morgen hier naast mij.'
Met een grijns: 'Ja, dat zeg ik mooi hè? Dat vertel ik ook heel vaak. Het is belangrijk.'
Tessa van der Rijken